Inleiding
De roep om in het onderwijscurriculum aandacht te geven aan persoonsvorming klinkt luid. Te lang heeft de nadruk eenzijdig gelegen op rendement en een hoge ranking in (internationale) ranglijsten. In gesprekken met docenten en jongeren constateer ik een groeiend besef dat deze tijd om ander onderwijs vraagt.
Maatschappelijk succes, welbevinden en volwaardig menszijn worden niet op de eerste plaats bepaald door de hoeveelheid kennis die iemand bezit. Een veel betere voorspeller voor een succesvol leven is iemands persoonlijkheid.
Hoe geef je leiding aan het proces van persoonsontwikkeling en wat vraagt het van de opvoeder of trainer? Bij de beantwoording van deze vraag maak ik gebruik van het gedachtegoed van filosofen. Allereerst Charles Taylor en Jacques Lacan. Peter Sloterdijk is van belang vanwege zijn cultuuranalyse, zijn scherpe kritiek op het huidige opvoedingsklimaat en zijn oproep om te oefenen en ‘je leven te veranderen’.
Cognitieve ruimtetheorie
De basis voor het oefenen met persoonsvorming ontleent de toegepaste filosofie aan de neurowetenschap en wat die ons leert over de werking van het brein. Antonio Damasio, Daniel Dennett, en Nederlandse onderzoekers als Jan van Riemsdijk en Gerrit Glas laten zien hoe analogieën en metaforen invulling kunnen geven aan begrippen als morele ruimte, symbolische orde en ‘Zelf’.
De oefeningen die ideeën vertalen naar concrete handelingen en nieuw gedrag zijn gebaseerd op Mental Space Psychology (MSP), zoals beschreven door onderzoekers als Lakhoff & Johnson, Barbara Tversky en Lucas Derks.
“Weten wie je bent, is weten waar je staat.”
Je moet je leven veranderen
Sloterdijk betoogt dat de mens geen genoegen mag nemen met het leven zoals dat gegeven is. Mensen oefenen zich voortdurend om hun leven te verbeteren en daarmee zichzelf te herscheppen. Zelfzorg als een soort sport: je moet in vorm raken, trainen als monniken en weer atleten van de geest worden.
Door via concrete oefeningen te sturen op diepgewortelde hartstochten en aangeleerde gewoonten kun je ruimte scheppen voor verandering. Bij zulke oefeningen dringt men door tot wat Sloterdijk de verrassingsruimte van de persoonlijkheid noemt: we ontdekken nieuwe mogelijkheden en ongekende vermogens.
De symbolische ruimte
Twee thema’s staan centraal bij Lacan: taal en verlangen. Met behulp van taal, beelden en metaforen maken we een symbolische representatie van de wereld; maar die representatie is niet de wereld zelf. Een onmiddellijke toegang tot de werkelijkheid is niet mogelijk.
De taal wordt de mens aangereikt. Doordat we fundamenteel zijn afgesloten voor een onmiddellijke ervaring, wordt de werkelijkheid als het ware op afstand gezet. Taal biedt representaties. En de ervaring van een tekort kan leiden tot verlangen dit tekort op te heffen.
Fantasmatische identificatie
De imaginaire identificatie kan leiden tot teleurstelling en via surrogaten tot een gekopieerd zelfbeeld — ingevuld met hulp van bezit of status. De regulerende werking van de symbolische orde kan falen: het ordenend kader desintegreert.
Met behulp van oefeningen uit de MSP is het mogelijk die symbolische ruimte te verkennen en temidden daarvan als een ‘ik’ positie te kiezen.
De morele ruimte
In Sources of the Self wijst Charles Taylor op het belang van ‘trouw zijn aan jezelf’. Onze identiteit wordt mede gedefinieerd door sterke waarderingen die onlosmakelijk verbonden zijn met ons als handelende wezens. Zonder de horizon van deze waarderingen is het niet mogelijk een persoon te zijn.
Taylor gebruikt het begrip horizon: een betekenishorizon die ervoor zorgt dat wij onze wereld ervaren als een zinvolle orde. Binnen zo’n horizon zijn we in staat te oordelen te vellen en een standpunt in te nemen.
Kaarten
Oriëntatie heeft twee aspecten: kennis van belangrijke locaties én kennis van de eigen positie. In analoge zin vereist onze oriëntatie op het goede kennis van belangrijke locaties (representaties) en daarnaast besef hebben van waar wij ons bevinden ten opzichte van die locaties.
Oefenen
Persoonsvorming vereist een actieve verkenning van de mentale ruimte — en daar zijn oefeningen voor nodig. Plaats en grootte van het zelfbeeld, en de afstand tot anderen (representaties), geven informatie over ervaren status en macht, en over waarderingen van anderen.
Met oefeningen als deze wordt zichtbaar hoe neurowetenschap ondersteunend kan zijn aan filosofische begrippen als morele ruimte en symbolische orde, en hoe oefening kan bijdragen aan waardenoriëntatie en persoonsvorming.
Literatuur
- Damasio, A.R., Het Zelf wordt zich bewust, Wereldbibliotheek, 2010.
- Derks, L.A.C., Social Panoramas, Crown House Publishing, 2005.
- Derks, L.A.C., Mental Space Psychology, Coppelear BV, 2018.
- Glas, G., “Neurowetenschap vertalen: Hoe doe je dat?”, Filosofie Tijdschrift, Garant, nr. 6, 2018.
- Lacan, J., Seminar VII: The Ethics of Psychoanalysis, 1986.
- Lacan, J., Seminar XVII: The Other Side of Psychoanalysis, 1973.
- Lacan, J., Seminar XI: The Four Fundamental Concepts of Psychoanalysis, 1998.
- Sloterdijk, P., Je moet je leven veranderen, Boom, 2011.
- Taylor, C., Sources of the Self, Cambridge University Press, 1994.
- Tversky, B., “Spatial mental models”, in: Bower (ed.), The Psychology of Learning and Motivation, 1991.
- Tversky, B., “Visualizing Thought”, Topics in Cognitive Science, 2012.
- Žižek, S., Event, Boom, 2015.